Golftermen van A tot Z: alle begrippen die je op de baan hoort
Birdie, dormie, shank, gimme: golf heeft zijn eigen taal. Dit is de complete begrippenlijst voor beginners, van ace tot yips, met korte en duidelijke uitleg per term.
In dit artikel
Golf heeft meer eigen jargon dan vrijwel elke andere sport, en het meeste is Engels. Voor beginners is dat een drempel: in je eerste flight vallen termen als "dormie", "gimme" en "provisional" alsof iedereen ze met de moedermelk heeft meegekregen. Deze pagina is de naslaglijst die dat oplost. Bewaar hem, en zoek op wat je hoort.
Kort gezegd: hieronder staan ruim zeventig termen alfabetisch uitgelegd, van ace tot yips. De termen die je voor je eerste ronde echt moet kennen, staan onderaan nog even op een rij.
A
Ace. Een hole-in-one: de bal gaat vanaf de afslag direct in de hole.
Adres. De houding waarin je klaarstaat om te slaan, met de club achter de bal.
Afslagplaats (tee box). Het afgebakende gebied waar je een hole begint, gemarkeerd met twee teemarkers.
Airshot (luchtslag). Een swing waarbij je de bal volledig mist. Telt gewoon als slag als je de intentie had de bal te raken.
Albatros. Drie slagen onder par op één hole, bijvoorbeeld een 2 op een par 5. Extreem zeldzaam.
Alignment. De richting waarin je lichaam en clubblad staan ten opzichte van je doel. Zie Alignment: mikken als een professional.
All square. Gelijkspel in matchplay: beide spelers hebben evenveel holes gewonnen.
Approach. De slag waarmee je de green aanspeelt.
B
Backspin. Terugdraaiende rotatie van de bal, waardoor hij stijgt en na de landing snel stopt.
Backswing. Het terugzwaaien van de club, van adres tot het hoogste punt. Zie De backswing.
Birdie. Eén slag onder par op een hole.
Bogey. Eén slag boven par. Een dubbele bogey is twee boven, een triple drie.
Bounce. De hoek waarmee de achterkant van de zool van een wedge onder de voorrand uitsteekt; bepaalt hoe de club door zand en gras glijdt.
Break (borrow). De zijwaartse afbuiging van een putt door de helling van de green.
Buggy. Het rijdende karretje voor twee personen. Zie Golfbuggy.
Bunker. Een met zand gevulde hindernis.
C
Caddie. Iemand die je tas draagt en je mag adviseren; de enige persoon van wie je tijdens een ronde advies mag aannemen.
Carry. De afstand die de bal door de lucht aflegt, tot het punt waar hij landt.
Chip. Een korte, lage slag rond de green met weinig lucht en veel rol.
Clublengte. Meeteenheid bij het droppen: de lengte van je langste club behalve de putter. Zie Droppen volgens de regels.
Course rating. Getal dat aangeeft hoe moeilijk een baan is voor een scratch-speler; onderdeel van de handicapberekening.
D
Divot. De plag gras die je club uit de grond slaat. Leg je terug.
Dogleg. Een hole die halverwege naar links of rechts afbuigt.
Dormie. Matchplay-stand waarbij je evenveel holes voorstaat als er nog te spelen zijn; je kunt niet meer verliezen. Zie Matchplay uitgelegd.
Draw. Een gecontroleerde bal die (voor een rechtshandige) licht naar links buigt. Zie Fade en draw slaan.
Driver. De langste club met de minste loft, voor de afslag op lange holes.
Driving range. De oefenfaciliteit waar je ballen slaat. Zie Driving range: hoe het werkt.
Droppen. Het volgens de regels in het spel brengen van een bal door hem van kniehoogte te laten vallen.
E
Eagle. Twee slagen onder par op een hole.
Eer (honour). Het recht om als eerste af te slaan, verdiend door de vorige hole te winnen of de beste score te maken.
F
Fade. Een gecontroleerde bal die licht naar rechts buigt (rechtshandige speler).
Fairway. Het kort gemaaide gras tussen afslag en green.
Flight. De groep spelers waarmee je een ronde speelt, meestal twee tot vier personen.
Fore. De waarschuwingsroep als een bal richting andere mensen vliegt. Altijd roepen bij twijfel.
Four-ball. Spelvorm met teams van twee waarbij ieder zijn eigen bal speelt en de beste score telt.
Foursome. Spelvorm met teams van twee die om en om met één bal slaan. Zie Foursome en greensome.
Fringe (voorgreen). De iets langere graskraag direct rond de green.
G
Gimme. Een korte putt die je tegenstander je in matchplay cadeau geeft. Bestaat officieel alleen in matchplay.
Green. Het zeer kort gemaaide gras rond de hole, waar je putt.
Greenfee. Het bedrag dat je betaalt om als gast een ronde te spelen. Zie Greenfee uitgelegd.
Greensome. Spelvorm waarbij beide teamleden afslaan, de beste bal kiezen en daarna om en om spelen.
GVB. De oude naam van de Nederlandse baanpermissie, tegenwoordig Handicap 54.
H
Handicap. Het getal dat je speelsterkte uitdrukt; hoe lager, hoe beter. Zie Wat is een golfhandicap.
Hole-in-one. De bal vanaf de afslag direct in de hole. Zie ace.
Hook. Een ongewilde, sterke bocht naar links (rechtshandige speler).
Hybride. Een club die de speelbaarheid van een hout combineert met de lengte van een lang ijzer.
I
IJzer. De genummerde clubs (meestal 4 tot en met 9) voor het middenspel; hoe hoger het nummer, hoe meer loft.
Impact. Het moment waarop het clubblad de bal raakt.
L
Lie. Twee betekenissen: de ligging van je bal, en de hoek tussen schacht en zool van je club. Zie Loft en lie uitgelegd.
Links. Baantype aan de kust, op duingrond. Zie Baantypes.
Loft. De hoek van het clubblad, die hoogte en afstand van de bal bepaalt.
M
Marker. Twee betekenissen: de medespeler die je score noteert, en het muntje waarmee je je balpositie op de green markeert. Zie Scorekaart invullen en tekenen.
Marshal. Baanpersoneel dat toeziet op tempo en gedrag.
Matchplay. Spelvorm waarbij je holes wint in plaats van slagen telt.
Mulligan. Een informele overslag zonder straf. Bestaat niet in de regels; alleen bij gezelligheidsrondes als iedereen het afspreekt.
N
Nearest to the pin. Wedstrijdonderdeel: wie slaat zijn afslag op een par 3 het dichtst bij de vlag.
Netto score. Je score na aftrek van je handicapslagen.
NGF. De Nederlandse Golf Federatie, de nationale bond waar je handicapregistratie loopt.
O
Onspeelbare bal. Een bal die je zelf onspeelbaar verklaart, met drie uitwegopties voor één strafslag. Zie Onspeelbare bal.
Out of bounds (OB). Buiten de baan, gemarkeerd met witte paaltjes. Zie Out of bounds.
P
Par. Het aantal slagen waarin een goede speler een hole geacht wordt te spelen.
Pitch. Een hoge, korte slag tussen chip en volle swing in. Zie Pitchen.
Pitchmark. De deuk die een landende bal in de green slaat. Altijd repareren.
Plaatselijke regel (local rule). Een aanvullende regel die een baan zelf instelt, zoals winterregels.
Provisional. Een tweede bal die je slaat als je eerste mogelijk verloren of out of bounds is; moet hardop worden aangekondigd.
Pull. Een bal die recht vliegt maar links van het doel start. Een push start rechts.
Punch. Een bewust lage slag, bijvoorbeeld onder de wind door. Zie De punch shot.
Putter. De club voor op de green.
Q
Qualifying. Een ronde die meetelt voor je handicap, mits vooraf aangemeld en getekend door een marker.
R
Ready golf. Slaan zodra je klaar bent in plaats van strikt op volgorde, om het tempo hoog te houden. Alleen bij strokeplay.
Rough. Het langere gras naast de fairway.
S
Sandwedge. De wedge met veel loft en bounce, vooral voor bunkers.
Scramble. Teamspelvorm waarbij iedereen slaat en steeds de beste bal wordt gekozen. Zie Texas scramble.
Scratch. Een speler met handicap 0.
Shank. De gevreesde misser waarbij de bal de hosel (de hals) van de club raakt en scherp zijwaarts schiet.
Slice. Een ongewilde, sterke bocht naar rechts (rechtshandige speler). Zie Slice herstellen.
Slope. Getal dat aangeeft hoeveel moeilijker een baan is voor een gemiddelde speler dan voor een scratch-speler; bepaalt hoeveel slagen je meekrijgt.
Stableford. Puntensysteem waarbij je per hole punten scoort ten opzichte van je persoonlijke doelscore. Zie Stableford-punten berekenen.
Stance. De stand van je voeten bij het adres.
Stroke index. De moeilijkheidsrangorde van de holes op de scorekaart, die bepaalt waar je handicapslagen vallen.
Strokeplay. Spelvorm waarbij het totale aantal slagen telt.
Sweet spot. Het punt op het clubblad waar de bal het zuiverst en verst vertrekt.
T
Tee. Het pinnetje waarop je de bal bij de afslag mag leggen; ook de benaming voor de afslagplaats zelf.
Topbal (getopte bal). Een bal die je boven het midden raakt, waardoor hij laag over de grond schiet.
Trolley. De kar waarop je tas staat en die je duwt of laat meerijden. Zie Golfkar kopen.
U
Up and down. In twee slagen uitholen vanaf naast de green: één chip of pitch, één putt.
V
Vetslag (fat shot). Een slag waarbij je de grond vóór de bal raakt, met fors afstandsverlies. Zie Low point control.
Vlaggenstok (pin). De stok in de hole. Mag sinds 2019 blijven staan bij het putten.
W
Wedge. Verzamelnaam voor de clubs met de meeste loft: pitching, gap, sand en lob wedge.
WHS. Het World Handicap System, het wereldwijde systeem waaronder alle officiële handicaps vallen.
Winterregels. Plaatselijke regel waarbij je de bal op kort gemaaid gras mag oppakken, schoonmaken en terugplaatsen. Zie Wintergreens en tijdelijke greens.
Y
Yips. Onwillekeurige trillingen of schokjes bij het putten, vaak zenuwgerelateerd.
De tien die je voor je eerste ronde echt moet kennen
Par, bogey en birdie, fore, greenfee, handicap, provisional, droppen, out of bounds, pitchmark en ready golf. Ken je die, dan kun je elke eerste ronde aan; de rest leer je vanzelf onderweg.
Veelgestelde vragen
Waarom zijn bijna alle termen Engels? Golf komt uit Schotland en de internationale voertaal van de sport is Engels gebleven. Nederlandse vertalingen bestaan soms wel, maar op de baan hoor je vrijwel altijd de Engelse term.
Wat is het verschil tussen een chip en een pitch? Een chip is laag met veel rol, een pitch is hoog met weinig rol. De grens ligt grofweg bij vijftien meter. Zie Pitchen.
Wordt dit allemaal getoetst voor mijn baanpermissie? Nee, het theorie-examen toetst regels en etiquette, geen woordenlijst. Maar wie de termen kent, begrijpt de regels een stuk sneller.
Bewaar deze pagina
Niemand leert golftaal uit een lijst; je leert hem door te spelen en af en toe iets op te zoeken. Daar is deze pagina voor. En hoor je op de baan een term die hier ontbreekt, laat het ons weten, dan vullen we hem aan.
Bij Zalm Golf komen de termen die er echt toe doen vanzelf voorbij tijdens de Handicap 54-cursus, gewoon op de baan waar ze betekenis krijgen. Lees ook Beginnen met golf: 5 dingen die je moet weten.